Laatst had ik een discussie met een Friese collega-blogger over de taalopvoeding van kinderen. Nou gaat de vlieger natuurlijk niet helemaal op omdat Fries wel degelijk een ‘echte’ taal is, maar in Nederland worden er ook veel streektalen (of dialecten als je wilt) gesproken. Binnen mijn familie en schoonfamilie heb ik daar ook wel eens gesprekken over.

Ik vind namelijk dat anno 2018 het dialect van jouw woonomgeving niet de maatstaf moet zijn voor de taalontwikkeling van je kind.

Laat me dat eens uitleggen.

Brabants, Limburgs, Twents

Ik ben geboren en getogen in Brabant. En dat hoor je. Aan mijn zachte G. En een enkele keer aan een specifieke uitspraak die je in andere delen van het land niet hoort. Omdat ik veel door het hele land gewerkt heb, zijn de meeste uitspraken er inmiddels wel uitgesleten. Toen ik eens in Rotterdam tegen een klant vertelde dat ik die ochtend om 7 uur was ‘aangereden’, dacht hij namelijk dat ik een aanrijding had gehad, terwijl in Brabant ‘aanrijden’ gewoon ‘vertrekken’ betekent.

Overigens werd er bij ons thuis ook nooit echt dialect gesproken. We zeiden wel eens ‘houdoe’ en mijn moeder haalde vaak ouderwetse uitspraken aan die zij weer van huis uit had meegekregen maar dan was het altijd in een context als: ‘Oma zei altijd ….’ Kortom, Standaardnederlands (ABN bestaat niet meer)  was bij ons thuis over het algemeen toch de voertaal.

Toen ik ging studeren had ik een Limburgse huisgenote. Dat hoorde je ook. Zij had een zangerig accent. Als wij samen waren konden we elkaar prima verstaan. Maar als haar ouders bijvoorbeeld op bezoek waren, kon ik er letterlijk geen woord meer van verstaan. Als ze Chinees gesproken hadden, had ik het ook geloofd. En dat vond (en vind) ik dus erg a-sociaal. Dat je dat ‘onder elkaar’ doet prima, maar toch niet met anderen erbij?

Veel later ontmoette ik Jan-Willem. Jan-Willem komt uit Twente en dat hoor je ook. Tukkers slikken zo charmant een deel van hun woorden in en ook dat is prima. En dat er in zijn familie ook weleens iets onbegrijpelijks gezegd werd, vond ik ook lang prima. Vaak snapte je de context toch wel uit de intonatie of de rest van het gesprek.

En toen kregen we een kind

En rees bij mij ook ineens de vraag ‘Wat geven wij ons kind mee van onze dialecten?’

Om te beginnen verschillen wij qua taalgevoel sowieso al heel veel. Hij is een beta-man en is tevreden als zijn gesprekspartner zijn boodschap begrijpt. Ik ben een alfa-mens en heb van taal nota bene mijn vak gemaakt. En dus ben ik per definitie niet de makkelijkste.

Eskimo

Ken je dat voorbeeld van eskimo’s? Die hebben tientallen uitdrukkingen voor het woord ‘sneeuw’ waar wij niet veel verder komen dan natte sneeuw, poedersneeuw, stuifsneeuw etc.

Zo ongeveer gaat het tussen JW en mij ook. Als hij iets vies vindt, is het standaard ‘smerig’ terwijl ik afhankelijk van de situatie kies voor vuil, vies, goor, onsmakelijk, ranzig etc. Ik zei het al: ik ben niet makkelijk 😉

Terug naar het dialect

Tot zover even het zijsprongetje en terug naar mijn stelling. Ik vind dus dat als mijn kind zich niet lekker voelt, dat ze hoort te zeggen ‘Ik voel me niet lekker’ maar niet ‘Ik ben niet goed te pas’. Wat Twents is. Wees gerust, ik trek hier niet het hele register aan voorbeelden open maar het gaat mij om het idee.

Maar je achtergrond dan? Die is toch ook belangrijk?

Zeker weten! Ik vind ook zeker dat ze op enig moment mag weten dat mensen in de ene streek andere uitdrukkingen gebruiken dan in de andere streek. En ja, het is natuurlijk een half Twents, half Brabants kindje. Dus die culturele achtergronden moet ze ook zeker leren kennen. Maar niet als basis.

In mijn begintijd met JW heb ik me er namelijk erg over verbaasd dat hij vaak niet eens wist dat sommige van zijn uitdrukkingen puur dialect waren. En dat wordt natuurlijk veroorzaakt door je kind in een dialect op te voeden.

Dit artikel begon ik door te zeggen dat het dialect niet de maatstaf moet zijn voor de taalontwikkeling van je kind. En die nuancering is denk ik wel belangrijk.

Er is wel veel veranderd

Toen wij jong waren in de jaren ’70 en ’80 leefden we natuurlijk ook in een andere wereld. Toen was je ook in eerste instantie een Brabants of Twents kindje. Maar anno 2018 voed je (in mijn ogen dus he) een wereldburger op. En die spreekt zijn moertaal en Engels en pas daarna een eventueel dialect.

Hoe ervaren anderen dat? Jij bijvoorbeeld?

Toen ik voor dit artikel wat research deed, viel het mij op dat er niet eens zo veel over te vinden valt. Ik stuitte bijvoorbeeld wel op dit (enigszins vergelijkbare) topic op het Viva-forum. Als je daar de reacties op leest, zie je wel dat er veel onbegrip is en dat de meningen wel erg verdeeld zijn. Ik pik er een paar reacties uit:

“Overigens vind ik dat we best zuinig mogen zijn op dialecten in ons land. Ik kom uit de omgeving van Maastricht maar vind het heel spijtig dat je er bijna alleen maar Nederlands hoort tegenwoordig. Ik als rasechte Limburgse moet in Maastricht in het Nederlands mijn kop koffie bestellen anders word ik vreemd aangestaard door de bediening. Jammer, dialecten horen ook bij ons cultureel erfgoed!” (Daar zit ook wat in)

“Voor oudere generaties geldt waarschijnlijk dat sommige dialectsprekers slecht of helemaal geen ABN spreken, maar de meeste mensen kunnen beide talen prima onderscheiden en op verschillende momenten gebruiken. Daar is ook onderzoek naar geweest. Meertaligheid is bovendien juist goed voor de creatieve ontwikkeling van een kind! ” (Meertaligheid is goed voor de creatieve ontwikkeling klinkt op zich ook niet verkeerd toch?)

“Dus als ik het goed begrijp, is de familie van jouw vader onbeschaafd en wonen je broer en schoonzus in een beschaafde omgeving?” (Iemand die aangaf dat het ene deel van de familie een dialect sprak en het andere deel van de familie Standaard Nederlands.)

Oké, mijn mening is wel helder lijkt me. Hoe denk jij hierover? En ben jij er in jouw opvoeding überhaupt bewust mee bezig?

Volg mij ook op social media!

Schrijf een reactie